Columns

“laten praten,
luisteren en schrijven:
een interview”

“laten praten,
luisteren en regelen:
een uitvaart”

Complexe familieverhoudingen

Na het overlijden van Anton rijd ik voor het eerst hun erf op. Ik arriveer tegelijk met een zoon – niet een van Anton zelf, blijkt later – en volg hem door de lage keukendeur naar binnen, de woonboerderij in. Het is mei. Buiten bloeien narcissen, hyacinten en overdadig een magnolia.
Binnen zitten ze in lage stoelen om de kachel geschaard: Harriet, haar zonen en schoondochters en Walter, de jongste zoon van Anton. Er zijn nog drie kinderen vertellen ze. Het duurt even voor ik de familieverhoudingen doorgrond.
Harriet en Anton waren meer dan twintig jaar getrouwd. Bij hun trouwen hadden beiden kinderen uit een eerdere huwelijk. Anton had er vier en Harriet twee. Antons kinderen bleven bij hun moeder wonen. De relatie tussen de voormalig echtelieden was, zacht gezegd, moeizaam. In tijden van spanningen, woonden de kinderen wel eens tijdelijk bij Harriet en Anton. Maar ook met hun vader liepen de spanningen soms hoog op. Harriets zonen zijn jonger en woonden van kind af aan bij Harriet en Anton. Inmiddels zijn alle kinderen uitgevlogen.
Misschien heeft Harriet zelf meer behoefte aan rust, deze dagen, en een laatste samenzijn met Anton, maar ze beseft hoe belangrijk het voor Antons kinderen is om afscheid van hem te nemen. Juist voor die kinderen die gebrouilleerd waren met hun vader. En vooral voor de oudste zoon die het contact met zijn vader verbroken had. Hoewel het de vraag is of hij zal komen.
De eerste dag voor de uitvaart, de dag dat we de kist sluiten, is hij er. Eventjes. Hij heeft een strak rood hoofd en zegt niet veel. De kleinkinderen brengen lucht. Ze lopen bij Anton in en uit, leggen bloemen neer, een tekening. Ze lachen en rennen dan de tuin weer in.
Op de dag van de uitvaart lopen we over een pad met knotwilgen naar de kerk. Ik loop voor. Achter mij hoor ik de volwassen kinderen herinneringen ophalen. Met zijn zessen begeleiden ze de kist. De vier kinderen van Anton en de twee van Harriet. Harriet zelf loopt erachter, met haar schoondochters en kleinkinderen. De lucht is blauw. Een merel fluit. ‘Weet je nog, Walter, dat je zo bang was voor de hond van boer Bunschoten?’ vraagt de oudste dochter. De anderen lachen.
Bij een overlijden komt de pijn in een familie boven, altijd. Tijdens het evaluatiegesprek hoor ik pas wat een stress het Harriet gegeven heeft om haar huis open te stellen voor de kinderen uit het eerste huwelijk van haar man. Maar het moeilijkste vond ze dat de oudste zoon zijn tweede ex niet bij de uitvaart wilde hebben. Anton zou dat vreselijk hebben gevonden, maar Harriet koos voor rust.
Na een overlijden gebeurt er vaak ook veel moois tussen mensen. Later is Harriet met deze ex-schoondochter naar het kerkhof gelopen. Antons ex was wel bij de uitvaart. Gearmd met haar dochter liep ze achter de kist naar de begraafplaats. Haar nieuwe man nam bij de condoleance in het Dorpshuis Harriets hoofd tussen zijn handen en bedankte haar innig voor de ruimte die ze had geboden aan Antons kinderen.

De namen zijn gefingeerd.

 gepubliceerd in De Rosbode

Je kunt niet alles regelen

De auto parkeer ik bij de zij-ingang van het verzorgingstehuis. Op de glazen deur hangen instructies om binnen te komen. Ik moet uit de draaicirkel van de deur blijven. Ik doe een stap opzij, maar er gebeurt niets. Als ik vertwijfeld om me heen kijk, zie ik een struise vrouw aan komen lopen. Eén van de dochters denk ik. Klopt. ‘De jongste,’ lacht ze, terwijl ze me binnenlaat, ‘Marga’.
In het appartement stelt ze me voor aan haar zussen, Ans en Jeanette, en aan twee kleindochters. Achter alweer een glazen deur, die naar de slaapkamer, scharrelen onze dames van de overledenenzorg. “Willen jullie niet bij de verzorging zijn?,” vraag ik enigszins verbaasd. Dat staat namelijk in de wilsbeschikking waarin mevrouw Pietersen de wensen rond haar afscheid tot in detail vast heeft gelegd. Die wilsbeschikking heb ik van mijn collega doorgemaild gekregen. ‘Dit is de allerlaatste versie’, vertelde ze erbij. Mevrouw Pietersen was een regelaar en een perfectionist. De wilsbeschikking is de laatste weken nog minstens drie keer aangepast. De bloemist is zelfs aan huis geweest om door te spreken hoe de bloemstukken voor op de kist en in de kapel eruit moeten zien. Marga zegt: ‘Je hoeft alleen maar te bellen en te zeggen: ‘Het is precies zo gelopen als ze wilde.’ Dan weet hij genoeg.
Het is gegaan zoals mevrouw Pieterse het wenste. Ze wilde precies vandaag overlijden, zodat de crematie zaterdag zou kunnen plaatsvinden. Gelukkig is er nog ruimte in het crematorium in Rosmalen. Zaterdag is een gewilde dag en voor hetzelfde geld hadden we uit moeten wijken naar een ander crematorium, of een andere dag.
Je kunt niet alles van te voren regelen. En dat is trouwens maar goed ook, vooral ook voor de nabestaanden. Het is voor hen wel fijn om in de dagen tussen overlijden en uitvaart nog wat te kunnen doen. Bovendien weet je van te voren nooit precies waar je nabestaanden behoefte aan hebben. Deze dochters wilden bij nader inzien toch niet aanwezig zijn bij de laatste verzorging. Ze hadden aan het sterfbed gezeten, en moeder zien vertrekken. Het was goed zo.
Zeldzaam relaxed regelen we de uitvaart. De enveloppen zijn al geschreven, de tekst van de kaart is klaar. In alle rust kunnen de avondwake en de crematieplechtigheid voorbereid worden. Er is tijd genoeg om deze dagen nog bij moeder te zitten, en om liefdevol de mooie details uit te voeren die ze had bedacht. Een van die rituelen is dat er in de dagen tussen overlijden en uitvaart op de gang, naast de voordeur, een kaars brandt, zodat de buren weten: mevrouw Pietersen is gegaan.

De namen zijn gefingeerd

 gepubliceerd in De Rosbode

Wat kom je dan elke dag doen?

Evert stelt voor dat we ergens een hapje eten. We belanden in een Portugees restaurant. Een aardige zuidelijk ogende serveerster zet een bord gevulde dadels en een karaf rode wijn neer. We wachten  op onze zalm en nijlbaars. Voor mij betekent het etentje met een oude vriend een welkome ontsnapping aan de gebruikelijke ‘koken-eten-in-bed-doen-stress’en omdat Evert geen kinderen heeft kunnen we het lekker over ons werk hebben. Ik vertel dat ik die middag een uitvaartonderneming belde voor een artikel en hoe ik schrok van de botte reactie aan de andere kant van de lijn. ‘Zo iemand kun je dus ook treffen. Wat een hork. Die afgemeten stem alleen al.’ Het roept bij Evert de uitvaartleider in herinnering bij het overlijden van zijn moeder. ‘Die man staat nog op m’n netvlies gebrand’, vertelt hij. ‘En daar krijg ik hem ook nooit meer weg. Je moet je voorstellen. Zo’n vadsig persoon heb ik nog nooit gezien. Zie je die man daar in de hoek?’ Ik probeer me onopvallend om te draaien en zie een over de zitting van de stoel puilend bovenlijf. ‘Die kraai was nog minstens anderhalf keer zo dik. Mijn vader was de kluts op dat moment helemaal kwijt, en liep maar papieren te zoeken en koffie te schenken.’ Everts vader is dement. Hij herkent Evert vaker niet dan wel en na een bezoekje is hij urenlang van slag. Evert neemt nog een slok wijn en vervolgt: ’ Dus ik zat daar met die man aan tafel en probeerde beleefd te blijven en de zaken zo vlot mogelijk te regelen. En hij zat daar maar zijn voorgeprogrammeerde vragenlijstje af te werken’. De serveerster zet onze vissen neer. Ze glimlacht met haar mooie ogen en wenst ons een smakelijke maaltijd. Evert prikt een stukje witvis aan zijn vork. ‘Ik voelde me opgelaten. Dacht alleen nog maar: ‘Als die man maar weer zo snel mogelijk weg is.’ Evert zwaait vervaarlijk met zijn vork: ‘Ik moet er niet aan denken dat ik die man weer krijg als mijn vader sterft. Hij is daar verzekerd, dus ik kom dan toch weer bij diezelfde uitvaartonderneming. Maar ik zal zeggen ik dat ik die dikzak niet meer wil.’ Evert is interim-communicatie-adviseur en uitgesproken mondig. Maar het komt niet in hem op dat een uitvaartbegeleider hem ook tot steun zou kunnen zijn. Hij heeft de uitvaart het liefst maar zo snel mogelijk geregeld. Zo min mogelijk contact met de uitvaartmedewerkers. Als ik vertel dat wij elke dag bij de mensen langs gaan, vraagt hij wat we dan in hemelsnaam komen doen.
We wisselen een stukje van onze vissen uit en stellen vast dat zijn nijlbaars lekkerder is dan mijn zalm. Ik probeer nog iets uit te leggen over stapsgewijs afscheid nemen, over de tijd nemen voor de beslissingen rond het afscheid en vertel dat wij vaak de nabestaanden afremmen in hun zucht naar het zo snel en effciënt mogelijk regelen van de uitvaart. Ik memoreer zelfs dat een zoon bij de condoléance eens zei: ‘Jammer dat je straks niet meer komt. Want het was zo gezellig.’ Maar het komt bij Evert niet binnen en andere onderwerpen dienen zich aan. Bij de koffie schatten we de leeftijd van de serveerster.
Terug in de trein realiseer ik me spijtig dat ik niet heb kunnen voorkomen dat juist hij, enig kind, wees en alleenstaand, straks ook de uitvaart van zijn vader in zijn eentje gaat regelen. Ik hoop maar dat hij me dan belt, dan zoeken we een goede uitvaartondernemer, een met een luisterend oor.

 gepubliceerd in De Rosbode

Dorpsidylle

In Den Dungen hebben ze nog een echte ouderwetse pastoor. Eentje waar je zuinig op moet zijn. Eerwaarde Van Beurden. De r.-k.-parochie Jacobus de Meerdere heeft één kerk, één begraafplaats – Van Beurden schat dat hij de helft van de mensen die er liggen heeft begraven – en driehonderd vrijwilligers. Het verhaal gaat dat er in Den Dungen één moslim woont en dat die ook vrijwilliger is bij Van Beurden. Het zou kunnen.
Van Beurden vierde een paar jaar geleden zijn veertig jarig jubileum. Er waren een week lang festiviteiten. En vorig jaar schitterde hij in een Ncrv-docusoap, in Man bijt hond. Maar ik ontmoette de pastoor in minder feestelijke omstandigheden, namelijk bij de overleden meneer Zwart. Ik was pas net binnen in het kleine boerenhuis toen hij aanklopte. Hij sloeg een arm om de tengere schouders van de weduwe en loodste haar mee naar het bed in de voorkamer. Hendrik Zwart lag nog in zijn pyjama en met de mond open, want we hadden hem nog niet verzorgd.  Zijn gelaatskleur was akelig geel. ‘Zullen we even bidden’, zei Van Beurden, en vatte de daad bij het woord. Daarna dirigeerde hij Ans en de beide kinderen naar de keukentafel en besprak vast enkele zaken van de uitvaart. De Zwarts zijn nuchtere mensen. Ans helemaal. Ze zag zelfs nog een  positieve kant van het veel te korte ziekbed van haar man: ‘Hij wou graag dat u zijn uitvaart nog zou doen. En dat is gelukt. Tenminste’, voegde ze eraan toe,  ‘als u het redt tot zaterdag. Want het kan snel gaan.’
In Den Dungen hebben ze zo hun vaste tradities: avondwake, uitvaartmis, bidprentje en de stoet naar de begraafplaats. De vrijwilligers van Van Beurden werken als een goed geoliede machine. Ze kopiëren de boekjes voor de avondwake en de uitvaartmis en ze nemen de dienst op cassette en video op. De avond voor de uitvaart zat de kerk vol. Iedereen was op tijd.
Mijn favoriete onderdeel is het lopen naar de begraafplaats. Vierhonderd meter door de hoofdstraat. Elke keer als we langzaam door de winkelstraat schrijden, voelt het alsof we in een film van Fellini zijn beland. ’s Winters slaat Van Beurden een bruine wollen sjaal om; ‘s zomers steken zijn sandalen onder zijn kazuifel vandaan.
Toen ik terug naar huis reed verdween de zon achter een rij populieren. De lucht was rozerood. Ik nam me voor om in de meivakantie een paar dagen op vakantie te gaan, in Den Dungen.

De namen Ans en Hendrik Zwart zijn gefingeerd.

 gepubliceerd in De Rosbode

Dansen om de kist

De situatie was chaotisch toen ik binnenkwam, ’s avonds om kwart over elf. “Mama wordt op de brancard gelegd,” hoorde ik iemand zeggen. “Pap, als je nog afscheid wilt nemen, moet je nu komen.”  Ik volgde meneer Van Klaveren naar de slaapkamer. Mevrouw Van Klaveren lag, in een blauw nachthemd, met de slang van het infuus nog in haar neus. “Die slang moet precies zo blijven zitten,” drukte een dochter de overledenenvervoerders op het hart. De volgende dag zou obductie plaatsvinden.
Graag hadden ze mevrouw Van Klaveren thuis gehouden. Haar man verzorgde haar al maanden thuis. Ze kreeg een kus, en nog een, en nog een, en met zijn allen zwaaiden ze haar uit, toen ze het appartement uit, en de lift in werd gereden.
Daarna veranderde de sfeer wonderbaarlijk. Het werd ronduit gezellig. Er werd koffie gezet en wijn geschonken. De ‘aanhang’ zorgde voor drank, bonbons en koekjes. Vader van Klaveren en ik probeerden de vijf aanwezige kinderen om de tafel te krijgen. Meneer van Klaveren was de kalmte zelf, maar zijn goedgebekte kinderen, zo ongeveer van mijn leeftijd, rond de veertig, praatten opgewonden door elkaar. In de lift was ik door een van de buren aangezien voor een van de dochters. Dat vertelde ik, en meteen grapte een zoon: ‘Misschien ben je dat wel, een nog onbekende halfzus.’ Ik bloosde, en dat was koren op zijn molen.  Meneer Van Klaveren redde me door een grafiek van Werkman op tafel te zetten. Die afbeelding wilde hij op de kaart. Een dansend paar. Erbij enkele regels van Kopland:  ‘Nu het daar ligt, zo in zichzelf/gekeerd zo zichtbaar/ik weet wel, je bent dat niet meer/ maar wat moet ik/het ligt daar en/ik heb het lief’.
De Van Klaverens waren uitgesproken in hun wensen. Uitgesproken en onorthodox. Zo wilde Van Klaveren dat de kleinkinderen tijdens de crematiebijeenkomst met linten om de kist zouden dansen. Want hij en zijn vrouw: wat hadden ze gedanst. Ik betwijfelde of de gasten dat ritueel zouden begrijpen en drong erop aan een toelichting te geven over het waarom van deze dans.
Op de dag van de uitvaart was iedereen ruim op tijd in het mortuarium aanwezig. Ik was opgelucht, want dit leek me een familie van notoire laatkomers. Vlak voor het vertrek naar het crematorium vroeg een dochter of ik een foto van de hele familie wilde maken. Wie weet hoe lang het weer zou duren voordat iedereen weer bij elkaar was.
In het crematorium hielden we bij het schikken van de bloemen ruimte om de kist vrij voor de dans. Zelfs de kleinzonen van tien en twaalf deden mee. Het was prachtig.

 gepubliceerd in De Rosbode

De eerste schok

Of ik direct kan komen vraagt de schoonzus van Hedwig, die zojuist is overleden. Ze klinkt paniekerig. Ik ben dat ook een beetje, want het is de eerste melding die ik rechtstreeks krijg. Meestal word ik gebeld door Dorien, mijn baas. ‘Mijn broer Koos is nog in het ziekenhuis’, vervolgt de schoonzus, ‘en hij wil dat u er bent als hij thuiskomt.’
Twintig minuten later bel ik aan, maar verder dan de hal kom ik niet. De schoonzus en de huisarts duwen me zo’n beetje met dezelfde vaart het huis weer uit. Ze hebben ondertussen bedacht dat het geen goed idee is, die uitvaartmevrouw al in huis voordat de dochters beseffen dat hun moeder dood is. En ik kan ze geen ongelijk geven.
Op dat moment komt Koos binnen. Een lange magere man met een verwarde haardos. Type huiskamergeleerde. Maar hij blijkt praktischer dan hij eruit ziet, want terwijl we afspreken dat ik over een uurtje terug kom, – zodat hij eerst even alleen kan zijn met zijn dochters -, laat hij me snel de kamer zien waar Hedwig opgebaard zal worden. In de tussentijd regel ik dat Hedwig naar huis komt en zorgt hij dat er een bed klaar staat.
Als ik een uur later aanbel is het een van de dochters, Cathy, die me probeert het huis weer uit te bonjouren. ‘Ik wil nog niks regelen’, schreeuwt ze. Ze slikt. ‘Ik heb mama nog niet eens gezien’, vervolgt ze iets rustiger. Gelijk heeft ze. First things first.  Natuurlijk hoort ze eerst haar moeder te zien. Maar ze moest helemaal uit Leuven komen.  En het ging opeens zo snel. Hedwig werd halsoverkop naar het ziekenhuis gebracht, en daar konden ze haar niet redden. Haar dochters waren te laat.
Koos en de meiden willen Hedwig pas zien als ze verzorgd en aangekleed is. Gelukkig maar, want Hedwig komt blauw uit het laken te voorschijn. Het is meestal geen prettig gezicht om een lichaam te zien dat in het ziekenhuis nog gereanimeerd is. Zo’n lichaam is dikwijls opgezwollen, bezaaid met blauwe plekken en met pleisters afgeplakte wonden van infuusnaalden. De dames van de verzorging zijn dan ook wel een tijdje met Hedwig bezig. Het geeft mij de gelegenheid om vast het een en ander met de familie door te spreken. Ik vraag ze om kussenslopen, beddengoed, een geurtje. De dochters kiezen mooie feestelijke kleding uit. Een bruin-roze-rode rok, een hemdje en een jasje van een tere linnen stof. De schakelketting die hun moeder daarbij droeg en een pietsje roze lipstick. De trouwring leggen we er los bij; die droeg ze de laatste weken al niet meer omdat haar vingers opgezet waren.
Het huis begint naar koffie te ruiken. En terwijl ik heen en weer loop tussen de kamers komt vanzelf ter sprake of Hedwig gecremeerd of begraven wilde worden. Het wordt het laatste. Koos komt met een mooie foto voor de rouwbrief op de proppen, en laat me zelfs het grafmonument al zien. Een door Hedwig uit zachte steen gehouwen vogeltje. Ik kniel naast Cathy, die op de bank zit, om het te bewonderen, en sla even een arm om haar heen. ‘Gaat het alweer een beetje?’
De rust is weergekeerd als ik, zo’n twee uur later, de deur uitloop. Koos en de kinderen staan om Hedwig heen, die er in haar mooie kleren en bij gedimd licht, bijna meisjesachtig uitziet.
De uitvaart regelen we morgen verder.‘Tot morgenvroeg,’ zeg ik, ‘en probeer ook nog een beetje te slapen.’

 gepubliceerd in De Rosbode

Een chinese uitvaart

Het is niet moeilijk om het huis te vinden waar ik de uitvaart van de heer Lin (48) moet regelen, want er lopen Chinees uitziende jongeren in en uit. Echtgenote Sei Fu is een broze bleke vrouw, ze stelt zich met een zachte stem in onzeker Nederlands voor. ‘Ze verstaat het perfect’, zegt schoonzus Noe, die telefoniste is en dus zelf perfect Nederlands spreekt. De familie is behoorlijk geïntegreerd en San Yu bekeerde zich kort geleden tot het christendom. Twee redenen om niet te kiezen voor een Chinese uitvaartondernemer, maar voor de ondernemer om de hoek.
Ik informeer naar het ziekbed en overlijden, maar het is me al snel duidelijk dat hier een zakelijke aanpak gewenst is: graf regelen, rouwbrief en advertentie opstellen, kist uitzoeken. Hup, vaart erin. De uitvaart moet donderdag, dus over drie dagen, plaatsvinden, want woensdag komt familie uit het buitenland (China, Italië, Duitsland) en vrijdag is voor veel Chinese restauranthouders een drukke dag.
De kist is van gepolitoerd mahonie-hout, met witte damasten bekleding. San Yu wordt in een zwart kostuum met glanzende schoenen op een zalmroze zijden doek in de kist gelegd. Daarna wordt hij toegedekt met drie zijden dekens, die zijn moeder heeft meegegeven. Het is Chinees gebruik dat ouders hun kinderen niet begraven. Ik begrijp dat de geesten verontwaardigd worden als de ouders bij hun dode kind zouden komen. Gelukkig worden er wel van alles veel foto’s en video-opnames gemaakt, die zijn ouders wel te zien krijgen. Volgens onze ideeën over rouwverwerking is het juist belangrijk om aan den lijve te ervaren dat iemand dood is. Ik hoop dan maar dat de foto- en filmbeelden dat ook kunnen bewerkstelligen.
Voor de begrafenis sluiten we de kist. De kinderen en Sei Fu spelden rouwbanden om hun bovenarm. Ze staan lang met de armen om elkaar heen om de kist. San Yu krijgt geen vreemde dingen mee, alleen ettelijke pakjes sigaretten. Er zijn 65 bloemstukken. De kerkdienst gaat half in het Nederlands, half in het Chinees. De voorgangster is verontwaardigd dat er mobiele telefoons afgaan en dat daar dan publiekelijk luidkeels in gesproken wordt. Nog erger vindt ze het dat na het afscheid nemen bij het graf, de mensen niet weglopen, maar door de heg de directe familie staan te begluren en zelfs fotograferen. Wij vinden dat notdone, door de heg staan gluren bij het afscheid nemen. Maar ja, als uitvaartondernemer met gebogen hoofd proberen onzichtbaar te zijn, is ook maar een gewoonte.

 gepubliceerd in De Rosbode

Drie rozen en twee muziekjes

Een uur na het overlijden van mevrouw D. zit ik met stiefkleindochter José in een kamertje in het verzorgingstehuis. We drinken koffie en wachten op de mensen die de oude mevrouw zullen overbrengen naar het mortuarium. José legt uit waarom zij hier zit om de uitvaart te regelen: “Chérie – zo noemden we haar, ik weet eigenlijk niet waarom, ze heette Hanneke – was de tweede vrouw van mijn opa.” José’s opa verliet zijn vrouw en dochter (José’s moeder) voor Chérie, de latere mevrouw D. Geen basis voor een fijn contact. Maar na opa’s dood zorgde José’s moeder – een hele lieve vrouw – evengoed als een dochter voor haar. Mevrouw D. had niemand anders. “Want ze was geen gemakkelijke vrouw,” zucht José. Toen haar moeder stierf nam José de zorg voor mevrouw D. over. Haar moeder had haar dat min of meer gevraagd.
José, noch haar moeder, werd het zorgen in dank afgenomen. Maar tegen het verzorgend personeel deed de oude mevrouw wel aardig, want ze had hen nodig. Dom was ze niet. Integendeel, ze was belezen en had belangstelling voor andere culturen en spiritualiteit. De afgelopen maanden lag ze op bed. Te wachten op het einde.
Over haar uitvaart had mevrouw D. uitgesproken ideeën. Geen mens hoefde bij het afscheid aanwezig te zijn. Nou ja, José, mocht komen. En ook mocht niemand haar meer zien. José ook niet. In het crematorium zouden twee nummers gedraaid worden: Waarheen waarvoor van Mieke Telkamp en Battle hymn of the republic van Andy Williams. Bloemen? Liever niet. Uiteindelijk stemde mevrouw D. er mee in dat José drie rozen op haar kist zou leggen. Drie rozen voor de drie mannen in haar leven.
Vier dagen later laat ik in het crematorium de kaarsenstandaard weghalen. In een kleine aula staat de kist op kiezels voor een olijvenboom. Voor de plechtigheid laat José me een gedichtje lezen dat ze over het overlijden van haar stiefoma geschreven heeft. ‘Je wilde en je kon op het laatst niet meer praten./Zo moeilijk was het voor je om ’t leven los te laten./Tóch gaf je je over en vond berusting./In ieder geval voor míj ’n hele opluchting.’
Nee, ze gaat dat niet voorlezen. En nee, ze heeft zich niet bedacht: ze gaat ook niks zeggen. We lopen met zijn vieren de aula in, José met twee vriendinnen en ik. “Het is precies zoals ze het gewild zou hebben,” zucht José, als ze de kist onder de olijf ziet staan. “Ze hield van de natuur.”  De drie vrouwen leggen de drie rozen op de kist. Hoe lang staan we daar? Een minuut, een paar minuten? Dan verlaten we onder het gezang van Williams de aula weer. We drinken nog een kopje koffie in het personeelskamertje. “Precies zoals ze het wou,” zegt José, tevreden aan een koekje knabbelend. “Die olijf, die kiezels. Het kon voor haar ontworpen zijn.” Haar taak is volbracht.

 gepubliceerd in De Rosbode

Afscheid in karton

‘De vakantiekoffers liggen nog onuitgepakt op bed.’ Gerda kijkt me met heldere groengrijze ogen aan. Dan snift ze: ‘Vanmorgen voelde hij zich nog goed. Hij had goed geslapen.’ Ze slaat haar blik neer, kijkt me dan weer aan. ‘Toen die agenten aan de deur kwamen dacht ik dacht het voor Tom was. Het gaat niet zo goed met hem de laatste tijd.’ Ze slikt en zegt met gebroken stem. ‘Ik dacht toch nooit aan Ko.’
Ko Bartels (50) kreeg een hartstilstand in de trein. Een arts-in-opleiding heeft nog geprobeerd hem te reanimeren, maar hij overleed in de ambulance. Dat was ’s morgens om acht uur. Als ik bij de Bartels op de stoep sta is het zeven uur ’s avonds. Het gezin zit, compleet met aanhang (verkeringen van de kinderen, een tante) aan tafel. Op de borden liggen gebakken aardappelen, hamburgers en sla. Gerda neemt me mee naar buiten, terwijl de kinderen de tafel afruimen. Nu moeten er beslissingen genomen worden waar niemand eerder over heeft nagedacht. Bijvoorbeeld de keuze voor een kist. Vol afschuw bladeren ze door ons voorbeeldenboek met kisten. ‘Wat zijn ze lelijk,’ gruwen Gerda en de kinderen. Het gaat hier om een familie die wars is van uiterlijk vertoon. Een hechte familie. En Gerda weet gelukkig goed wat ze wel en niet wil. De kinderen, alle vier rond de twintig, lijken meer in shock. Loes, de enige dochter, staat letterlijk te trillen en praat met een kinderlijk piepstemmetje. De jongens zeggen niet veel. Maar Gerda betrekt hun mening in al haar beslissingen. Ze willen een goedkope kist, want Ko zou een dure kist zonde hebben gevonden. Ik vertel dat een kist niet verplicht is, dat Ko ook opgebaard en gecremeerd kan worden op een opbaarplank. Maar dat is het ook niet. ‘Of een kartonnen kist’, opper ik. Dat spreekt wel aan. Gerda lijkt het mooi om de kist te beschrijven met boodschappen voor Ko. Toch nog een vorm van afscheid nemen. Ik bestel een zogenaamde ‘dooskist’.
We baren Ko op in de woonkamer. De kist, een soort schoenendoos in de vorm van een grafkist, staat naast hem. Op het deksel een jampotje met viltstiften. Jongste zoon David, die de avond voor het overlijden van Ko nog ruzie met hem had over een slecht rapport, schrijft het schuldgevoel van zich af . De in rood geschreven tekst neemt driekwart van de deksel in beslag. Loes tekent heel veel hartjes en Gerda beschrijft de binnenkant, daar waar Ko’s hart straks komt te liggen. Zowel het deksel als de kist worden van binnen en van buiten vol geschreven. Het ziet er een beetje uit als een gipsen been. ‘De mensen moeten vaak wel even wennen als ze binnenkomen’ vertelt David me.
Een paar dagen later staat de beschreven kist in de aula van het crematorium. De bloemstukken draperen we eromheen. Voor de kist zetten we een foto. Een familieportret. Na afloop hoor ik van de ovenmedewerker dat het zijn eerste kartonnen kist is. ‘Is hij toch weer bijzonder’, hoor ik Gerda al zeggen.

 gepubliceerd in De Rosbode

Ongenode spreker

‘En daarna vraag je of er nog iemand is die het woord wil hebben,’ suggereert Henk en hij kijkt me met een doordringende blik over zijn goudkleurige bril aan. Wij raden het af om die vraag te stellen tijdens de afscheidsplechtigheid. Enerzijds omdat het meestal pijnlijk stil blijft, anderzijds omdat je voor ongewenste verrassingen kunt komen te staan. Ik heb daar akelige voorbeelden van gehoord. Er schijnen gebrouilleerde ooms te zijn die de overledene op zijn afscheidsdienst de huid vol schelden en idioten die een sport maken van het verstoren van uitvaartplechtigheden. Hoewel dat uitzonderingen zijn adviseren wij de familie toch om de regie zelf in de hand te houden. Maar bij de begrafenis van Henks vader was wel gevraagd of iemand nog iets wilde inbrengen, en iemand had moed gevat en een mooi afscheidswoord gesproken. Ik kijk naar Marloes, die even lijkt te aarzelen, maar dan instemt. De afscheidsdienst ontroert. Een kleinzoon, een professioneel zanger, zingt ‘Bist Du bei mir’, en ‘In Paradisum’, een kleindochter speelt een zelfgeschreven saxofoonsolo, getiteld ‘Dag Oma’ en twee andere kleindochters herinneren hun oma in weinige, maar rake woorden. Daarna kom ik met mijn vraag. Er komt een vrouw naar voren van een jaar of vijftig. Ze draagt een diepgroen gewaad en haar rode haren omlijsten als een stralenkrans haar gezicht. Ik werp een blik op Marloes. Die kijkt blanco voor zich uit. De vrouw stelt zich voor als Daisy en verkondigt dat ze diep geroerd is door het afscheid dat de familie voor Ethel in elkaar gezet heeft. Zelf wil ze graag ook een muzikale bijdrage leveren. Ze begint te zingen, in volle overtuiging, met de armen voor de borst, diep voorover buigend en weer recht overeind komend: ‘A bridge over troubeled water..’. In mijn ongeschoolde oren klinkt het wel aardig en in ieder geval gemeend. Aan de gezichten van Marloes en Henk, die componist is, valt nog steeds niks af te lezen. Steeds als ik denk dat het lied afgelopen is, buigt de vrouw zich weer voorover, richting kist, en haalt weer uit. Als ze uiteindelijk naar het publiek buigt en terugloopt naar haar plaats loopt Henk met ferme tred naar de piano om zijn zoon te begeleiden bij het laatste lied. Na afloop vraag ik Marloes of deze vrouw soms een van de vrijwillige nachtzusters is, die haar moeder de laatste weken gezelschap hielden. ‘Nee’, zegt Marloes, ‘ze is een vriendin van ons.’ En terwijl ze haar gewicht verplaatst op haar andere been, en daardoor lichtjes tegen Henk leunt, vervolgt ze: ‘Ik was er eigenlijk al bang voor dat dit zou gebeuren.’ Ze buigt nog wat dieper naar me over en fluistert in mijn oor: ‘Ze doet me soms denken aan de bard in Asterix’.

 gepubliceerd in De Rosbode

Rituele bewassing

Rituele bewassing ‘Wassen, wassen, wassen.’ Een deuntje uit de Teletubbies-video ‘een drukke dag’. Zo’n deuntje dat blijft hangen. Ik zing het ‘s ochtends vroeg als ik onze kleine een washand over het gezicht haal. Het speelde ook door mijn hoofd toen ik laatst in het mortuarium was van het Groot Ziekengasthuis voor de laatste verzorging van een Molukse mevrouw. Mevrouw Manuputty, 79 jaar oud geworden. In dat mortuarium, dat zoals vaker weggemoffeld zit achter de gebouwen van het ziekenhuis, zwaait Marja de scepter. Normaal gesproken. Maar bij een Molukse familie blijft ze op de achtergrond. Want die doet alles zelf. Mevrouw Manuputty had de nacht doorgebracht in een koelcel van het mortuarium. Toen ik binnenkwam had Marja haar daar al uit gehaald en op een brancard in de verzorgingsruimte gezet. Een betegelde ruimte met aan één kant een wand van koelcellen en aan de andere kant een aanrecht.
Een deel van de Molukse familie zat inmiddels in de ontvangsruimte. Het wachten was op de vader en oudste dochter. De dochter had net gebeld, vader vond het moeilijk en stelde de gang naar het mortuarium uit. Een schoondochter verontschuldigde zich: ‘Een typisch Moluks gebruik, ze komen altijd te laat.’ Twee kleindochters snelden nog even naar de Hema voor speldjes om het kleed vast te zetten. Ik vroeg Marja nog een rondje koffie.
Drie kwartier later trokken meneer Manuputty, haar vijf kinderen en de twee volwassen kleindochters plastic handschoenen aan. ‘Wacht even’, zei ik, ‘jullie vader wilde toch eerst een gebed uitspreken?’ Ik stelde me bij de wassing een hele ceremonie voor. Maar niets van dat al. Meneer Manuputty sprak een gebed uit in het Maleis. Vervolgens werd mevrouw van top tot teen gewassen, gekamd en aangekleed. Een zoon schrobde een dijbeen, een dochter stoeide met haar knot, een kleindochter maakte met de kleine goudkleurige speldjes het traditionele zwarte gewaad vast en meneer Manuputty boende een oor uit. Fantastisch. Je zou het iedereen gunnen om na de dood nog één keer zo door je dierbaren te worden aangeraakt. Marja en ik kwamen er niet aan te pas. Mijn enige rol was om Marja en de chauffeur van de rouwauto langer aan de koffie te houden. Als laatste deed meneer Manuputty zelf het gebit in van zijn vrouw.
(uit privacy-overwegingen is de naam Manuputty gefingeerd)

 gepubliceerd in De Rosbode

Zonder kist

We hebben het moment uitgesteld. Maar nu valt er niet langer aan te ontkomen. ‘Je moet nog een kist uitzoeken’, zeg ik, terwijl ik het voorbeeldboek met kisten voor me op de ronde houten tafel leg. Mijn handen rusten op het blauwe omslag. Paul zit rechts van me, zijn moeder links en zijn vader, een beetje achteruit leunend, tegenover me. ‘Een kist is trouwens niet verplicht’, ga ik verder. En als ik merk dat er aandachtig geluisterd wordt voeg ik eraan toe: ‘Sinds 1991 is de wet aangepast en hoef je niet meer in een kist te worden begraven of gecremeerd.’ ‘Dat wist ik niet,’ zegt Paul verbaasd. ‘Bijna niemand weet dat’, leg ik uit, ‘het komt voort uit het islamitische gebruik om zonder kist begraven te worden. Moslims wikkelen de overledene meestal in doeken. En sommige mensen vinden het een vreselijk idee om in een kist te komen liggen.’ Paul klaart op. ‘Het is ook niks voor Anna’, zegt hij, ‘het past helemaal niet bij haar om begrensd te worden door zes planken.’
Anna (Annechien) Maas-Lamein is op 46-jarige leeftijd onverwacht overleden: ze kreeg een hartstilstand toen ze de honden uit liet in het park en was op slag dood. ‘Maar hoe gaat het dan,’ vraagt Paul, ‘als ze niet in een kist komt?’ ‘Haar lichaam zal wel ergens op moeten liggen om in de oven geschoven te worden, op een opbaarplank bijvoorbeeld,’ zeg ik, terwijl ik het kistenboek terug stop in mijn tas. Paul wordt zichtbaar enthousiast. ‘Op net zo’n sjoelbak als dit?’. Hij wijst naar de voorkamer waar Anna te midden van planten, kaarsen en haar schilderijen ligt opgebaard. Ik knik. Ook Pauls moeder voelt veel voor het idee om Anna zonder kist te cremeren. Anna is een spiritueel ingestelde vrouw, en in Oosterse leefwijzen geïnteresseerd. Maar Pauls ouders (ik schat ze rond de 70) hebben niets alternatiefs. ‘Dat wil ik later ook’, zegt zijn moeder zelfs. ‘Ik heb het altijd een afschuwelijk idee gevonden om in zo’n kist terecht te komen.’
Op de dag van de uitvaart wikkelen we Anna in twee lakens en draperen Pauls dekbedhoes – crème met brokaten borduursels- daarover heen.
In de aula valt het nauwelijks op dat er geen kist is. Na de dienst rijden Anna’s broers en vier vrienden haar de aula uit. In de gang naar de ovenruimte zetten ze haar op een andere baarwagen. Alleen Paul en zijn zus gaan mee naar de oven. We halen het dekbed weg en kijken nog één keer naar Anna’s mooie gezicht. Het ziet er vredig uit. Pas vlak voordat ze de oven in gaat slaat de crematoriummedewerker de doek over haar haren. ‘Om schroeien te voorkomen’, vertelt hij erbij. Het is helemaal geen akelig gezicht. Integendeel. Het is een mooi beeld. Letterlijk: het doek dat valt.

 gepubliceerd in De Rosbode

Motormuis Babe

’s Avonds belt Dorien. ‘Een melding’ zegt ze, ‘nogal heftig.’ Het gaat om een jonge knul, Paul (30), die met zijn motor verongelukt is. Paul was vader van Pim van twee en van Koen van vijf dagen. Zijn vrouw Astrid klinkt heel rustig, vertelt Dorien nog. Dat blijkt ook als ik haar bel. Ja, ze wil dat ik vanavond nog kom, en ja, ik moet mijn spullen maar meenemen. Want nu slapen de kinderen en ze moet Koen immers om elf uur nog een fles geven. Astrid doet zelf de deur open. ‘Moet jij eigenlijk niet in je kraambed liggen?’, vraag ik, terwijl ik de op haar arm slapende baby bewonder. ‘Precies zijn vader,’ volgens Pauls moeder.
Astrid heeft geen tijd voor het kraambed, blijkt al snel. Ze regelt alles. Ze heeft een lijst opgesteld van wat besproken moet worden. En alles wat haar te binnen schiet schrijft ze erbij.
Hoewel het voor Wilma, Pauls moeder, veel te snel gaat, regelen we die eerste avond de hoofdzaken al. Paul zal over vijf dagen gecremeerd worden, in een eenvoudige kist, en op het herdenkingsprentje komt een foto van hem op zijn motor. ‘Dat ellendige ding’, zegt Astrid, ‘wil ik niet meer zien’. Maar dat ellendige ding komt wel prominent op het prentje: Paul verstopt in helm en motorpak. Bij de rouwbrieven sluiten we blanco kaarten in waarop mensen een herinnering aan Paul kunnen schrijven, voor zijn kinderen. Zodat zij zich later een beeld kunnen vormen van de vader die ze nooit gekend hebben. Tussen de bedrijven door legt Astrid haar zus uit hoe ze de baby zijn fles moet geven.
De volgende morgen, als ik terugkom om de tekst van de rouwbrief op te stellen, biedt Astrid me beschuit met muisjes aan. De kraamvisite moet doorgaan. Maar niemand krijgt een hap door zijn keel. Zeker Pauls moeder niet, hoewel die nog zo haar best doet om zich ook groot te houden.
Astrid wil Paul niet meer zien, tot de avond voor de uitvaart. Ze heeft er geen tijd voor, en ze wil er zijn voor haar kinderen. Ze moet er zijn voor haar kinderen, die te jong zijn om er iets van te begrijpen. Pim is veel bij oma’s, opa’s en tantes, maar als hij thuis is ziet hij een huis vol bekende en onbekende gezichten. ‘Papa weg’, veel meer begrijpt het kereltje er nog niet van. Op dinsdag maakt Koen zijn eerste wandelingetje in de kinderwagen. Achter de rouwauto aan.

 gepubliceerd in De Rosbode

Zeer oud worden

Het was een breekbaar oud vrouwtje, mevrouw Simon – van Mulukom. Ze is 96 geworden. De laatste jaren leefde ze in een luxe verzorgingstehuis. Ze had er een mooi appartement, vol met herinneringen aan Indië. Ik neem plaats op een van de krakende koloniale stoelen, met een zitting van donkergroen fluweel en drink thee uit een met kleurige tropische vogels versierd theekopje. Mantelzorgster José zoekt er een passend, hoewel niet bijpassend, schoteltje bij en presenteert me een wafeltje uit een schijnbaar eeuwenoude gedeukte koektrommel. ‘Ik hoop dat het nog vers is’, zegt ze, verlegen lachend. De echtgenoot overleed drie jaar eerder. Ze hadden geen kinderen.
Vijf dagen later nemen negen mensen plaats in de aula van het crematorium. Een nicht, een achternichtje en –neefje, een bevriend echtpaar (hij is tevens executeur testamentair) met hun kinderen, de mantelzorgster en twee buren. Mevrouw Simon heeft bijna al haar dierbaren zien overlijden en ze werd te oud om nieuwe vrienden te maken. Het hoefde niet meer. Ze wou niet dat de mensen die haar bij leven niet meer bezochten, op haar uitvaartdienst zouden komen.
Haar kist, een van de meest eenvoudige soort, staat op de katafalk in de aula. Erop liggen prachtige bloemen in pasteltinten, roze lelies, witte aronskelken, lila klokjes en roomkleurige rozen, omgeven door zachtgroen blad. Ik vraag de buren, die bescheiden achterin plaats willen nemen, om vooraan te komen zitten, zodat we in een kleine kring om haar heen zitten. ‘Het is niet zielig’, zeg ik in mijn praatje, ‘dat we hier met zo weinig mensen zitten’. En ik meen het. Het is niet zielig, mevrouw is gewoon heel erg oud geworden. Nicht Marianne vertelt het levensverhaal van haar tante. Ze is geboren in 1909. Ze heeft de wereld zien veranderen. De opkomst meegemaakt van de auto, de telefoon, de televisie, de computer. Haar moeder overleed bij haar geboorte. Ze werkte als verkoopster in een chique damesmodezaak en was daarbij zeer bedreven in handwerken en naaien. Ze trouwde met de handschoen – met haar eerste man Wim Bruning, een KNILmilitair. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat ze gevangen in Japans kamp Ambarawa op Java. Na de oorlog hoorde zij dat haar eerste man in Japans krijgsgevangenschap was omgekomen. Enkele jaren later hertrouwde zij met een andere KNILmilitair: Coenraad Frederik Simon. Ze moesten terug komen naar Nederland, terug naar het geliefde ‘s-Hertogenbosch, maar ze heeft hier toch nooit meer echt kunnen wennen.
Ik lees Genesis van Ida Gerhardt, over sterven als nieuw begin, we luisteren naar het Ave Maria van Gounod, vertolkt door Pavarotti en naar het lied van de Lieve Zoete Vrouwe van Den Bosch. Bij het weggaan schokschoudert het achterneefje en snikt zijn zus. ‘Dankuwel, het was mooi’, zegt hun moeder. Of het gedicht niet te zwaar was, vraag ik nog. ‘Nee’, Marianne schudt haar hoofd, ‘Het was precies goed zo.’

 gepubliceerd in De Rosbode

Magere tijden

Van magere tijden in de uitvaartbranche lijkt geen sprake. Het sterftecijfer is hoog en veel bedrijven hadden het in geen jaren zo druk als de afgelopen maanden. En ook ik had het druk. Met de uitvaart van een bevriende buurvrouw.

Patty. Samen maakten we straatinterviews in onze Buurtkrant. Ik schreef, zij fotografeerde. Later breidden we onze activiteiten uit naar andere wijken en publiceerden in het Stadsblad.

Mooi werk. Een blocnootje in de hand en ongegeneerd vragen stellen. Patty observeerde ondertussen de buurt. Zij wist alles van Europese richtlijnen voor zandbakzand en van hondenpoepbeleid. We waren laagdrempelig, twee huismoeders aan de wandel. Bezochten we een achterstandswijk, dan zaten we binnen een half uur in gesprek met harde kernjongeren. Ik dacht eraan om onze activiteiten op te schalen naar provinciaal of landelijk niveau. Graag had ik Vogelaars prachtwijken geportretteerd. Het kwam er niet van.
Een jaar geleden stuurde Patty me een mailtje dat ze ongeneeslijk ziek was. Uitgezaaide borstkanker. ‘Ik merkte dat je het nog niet wist’, mailde ze, ‘toen je hier zondag aan de deur was.’ Ze moest het nu wel vertellen: ze zou een chemokuur ondergaan en staakte al haar andere activiteiten.
Sinds die tijd ging ik regelmatig bij haar op de koffie. Meestal als ik een deadline gehaald had. Bijvoorbeeld als Het Uitvaartwezen bij de vormgever lag.
Patty had, zoals dat heet, vrede met haar situatie. Ze deed niets meer waar ze geen zin in had. Haar wereld werd kleiner. Ze had geen behoefte meer aan mails, telefoontjes, kaartjes en bezoekjes. Het zandbakzand interesseerde haar niet meer.
Op een vrijdagmiddag stond haar ex aan mijn deur. Patty ging hard achteruit. Of ik wilde komen praten over haar afscheid. Toen ik die zondag kwam was ze al niet meer aanspreekbaar en de nacht erna overleed ze.

Ik heb weer mogen ervaren: magere tijden zijn het beslist niet, die dagen rond een overlijden. Die magere tijden komen voor de nabestaanden pas daarna. De dagen tussen overlijden en uitvaart zijn intens en vol. Vol bezigheden en vol emoties. Hectisch ook vaak voor de uitvaartverzorger. Mijn ‘gewone’ leven ging door na het overlijden van Patty. Ik had de dag van haar overlijden een ziek kind thuis en het februarinummer van Het Uitvaartwezen moest naar de drukker. De dag van Patty’s uitvaart was tevens de deadline voor dit maartnummer. Traditiegetrouw is dit voorwoord het laatste stukje dat ik schrijf. Daarna is er rust.  Maar geen koffie meer bij Patty.

gepubliceerd in Het Uitvaartwezen

Mense ammaal dood

Die zaterdag verscheen ik in werkkleding aan het ontbijt. Blauw mantelpakje, witte blouse, blauwe kousen en platte schoenen. Yannick van drie keek me met grote ogen aan. Normaal kleed ik me om op kantoor, maar vandaag hoefde ik niet met de rok op de fiets, want ik had de auto. ‘Papa blijft bij jullie vandaag; ik moet werken’. Yannick bleef kaarsrecht op zijn stoel zitten. ‘Ik heb vandaag een begrafenis’. Nog steeds geen woord. ‘Ik kom vanmiddag weer thuis.’ Daarna probeerde ik de aandacht af te leiden. ‘Weet je wie er vandaag op bezoek komt?’ Er veranderde iets in zijn blik ‘Ellen.’ Yannicks lievelingstante. Zijn ogen fonkelden. Hij juichte. En ik mocht weg.

We begroeven een oude dame van 96 jaar. Haar drie kinderen met wie ik de uitvaart regelde, hebben de leeftijd van mijn ouders. Het zijn al opa’s en oma’s, met kleinkinderen -de achterkleinkinderen van de oude dame-, van nul tot zeven jaar oud. Om de familie te helpen bij het uitleggen dat ‘Omi’ dood is steek ik een aantal kinderboekjes in mijn tas. In lieve o ma pluis , van de onvolprezen Dick Bruna, gaat oma dood en wordt begraven. Het is een boekje zonder fratsen. Dat leek me wel passen bij deze familie. Een familie die niet spreekt over oma’s die sterretjes aan de hemel worden. Zelf houd ik ook wel van dat recht door zeeë: ‘weet je waarom nijntje huilde? oma pluis was dood gegaan’.

Maar dat had ik verkeerd ingeschat. Kleindochter Jasmijn bekeek lieve o ma pluis vol afgrijzen en gaf het me terug omdat het haar niet zo geschikt leek voor haar dochter van drie. ‘Marleen heeft al zo’n grote fantasie.’ Maar alle kinderen zijn gebaat bij eerlijke en heldere antwoorden op hun vragen. Kinderen gaan juist fantaseren als ze niet begrijpen hoe het zit. En hun fantasie kan vele malen gruwelijker zijn dan de werkelijkheid.

Ieder kind weet wat dood is, want elk kind heeft wel eens een dood vogeltje gezien. Bruna voelt dat haarfijn aan. Hij legt nuchter, maar toch lief precies uit wat er gebeurt.

‘er kwam toen een kist voor oma
waarin oma lekker lag
’t zag er heel mooi uit van binnen
en het leek ook heerlijk zacht’

Maar wij projecteren ons onvermogen om met de dood om te gaan op onze kinderen. Wij vinden het lastig om antwoord te geven op een vraag als: “Wordt oma opgegeten door de wormen?” ( Nee, die leven niet zo diep). Omdat wij niet willen weten wat er precies met dode oma gebeurt, daar in dat graf. Oma wordt verteerd door bacteriën en schimmels, en dat begint vanuit haar eigen darmen.

Wat Marleen te horen heeft gekregen op haar vragen over Omi weet ik niet. Maar Yannick, toch ook behept met een grote fantasie, antwoordt nuchter als Ellen vraagt waar ik ben: ‘Mense ammaal dood; mamma werke.’

Begrafenis Janny Timmermans, Esch, 23/7/5

Meezingen

Veel mensen met een verstandelijke beperking schijnen nog steeds weggehouden te worden bij de dood. Soms wordt ze eenvoudigweg niet verteld dat hun vader, moeder, tante, oom, broer of zus gestorven is. Onder het mom van: dat begrijpen ze toch niet. Nederland, 2016. Ik val bijna van mijn stoel. Volgens Marije Huneman, die een symposium organiseerde voor mensen met een verstandelijke beperking over doodgaan (zie pag. 12-13 en pag. 23), voelen begeleiders in de gehandicaptenzorg zich zelf soms erg ongemakkelijk bij een overlijden. Bovendien wisselen ze snel van functie.

Mijn ervaringen zijn anders. Toen ik – toch al jaren geleden – uitvaarten begeleidde in Brabant deden wij met enige regelmaat uitvaarten voor een instelling voor mensen met (ernstige) beperkingen. Zij woonden daar dikwijls al bijna hun hele leven. Ik herinner mij die uitvaarten als licht en gemakkelijk. Meestal waren ze klein, want de overledene had nog maar een kleine kring mensen om zich heen. Ze waren ook kort, want voor de medebewoners moest het niet te lang duren. De begeleiders hadden ervaring met uitvaarten, het draaiboek lag klaar, de geestelijk verzorger deed de dienst en wij zetten als bijzondere instructie in het draaiboek voor de assistentes: ‘meezingen!’

Lastiger had ik het bij de uitvaart van een moeder van een volwassen zoon met een lichte verstandelijke beperking. De zoon woonde op zichzelf, een paar straten verderop. Hij was bij de laatste verzorging, die gedaan werd door de thuiszorgmedewerker. Tot zover geen probleem. Maar toen we de volgende ochtend bij elkaar zaten om de uitvaart te regelen,  ontbrak hij. Er brak lichte paniek uit, want hij was nergens te vinden. Alle vertrouwde adressen werden gebeld of bezocht: zonder resultaat. Uiteindelijk werd hij gevonden: in een kast in zijn eigen woning. Dit verstoppen deed hij ook toen hij veel jonger was. Nu zijn moeder overleden was, viel zijn veiligheid weg en viel hij weer terug in oud gedrag. Ik hoefde er verder weinig mee: familieleden, buren, zijn professionele  begeleiders: iedereen pakte het prima op.

In dit nummer komen twee mensen in beeld met een verstandelijke beperking die in de uitvaartzorg werken: Peter Dibbets en Maaike van Straaten. Mooi is dat ze niet alleen werk achter de schermen doen, maar ook in contact komen met nabestaanden. Ze treden op als gastheer/vrouw, schenken koffie en lopen vóór.

In Nederland vallen anderhalf miljoen mensen onder de noemer ‘verstandelijk beperkt’. Mogen die ook meezingen?